17 dec. 2012

Waarom fouten maken zo belangrijk voor je is

Deze video kreeg ik gisteren te zien in een training van Buro Mare. Zeer duidelijk en inspirerend!

Waarom je fouten MOET maken:

14 dec. 2012

Afhankelijkheid of capaciteitenprobleem?

Pas geleden schreef ik een blog over motivatie. Wanneer een leerling niet gemotiveerd is, vraagt een leerkracht zich vaak af: kan hij het niet, of wil hij het niet?
 
Eigenlijk houdt deze vraag een andere vraag in. Namelijk: stelt de leerling zich afhankelijk op van de leerkracht (bijvoorbeeld vanwege een negatief zelfbeeld), of heeft hij werkelijk de capaciteiten niet om de taak te volbrengen? Onderstaand schema kan je bij deze vraag helpen. Misschien heb je er iets aan.
Klik op de afbeelding voor een vergroting


























P.S. De kwaliteit van de afbeelding is niet zo geweldig. Ik heb het schema in een pdf-je, maar dat kan ik in Blogger niet uploaden. Mocht je het schema toegestuurd willen krijgen, mail me dan. Dan stuur ik het je z.s.m. toe.

10 dec. 2012

Hoogbegaafde meisjes

Hoogbegaafde meisjes en vrouwen zijn een geval apart. Als jonge kinderen steken de prestaties van deze meisjes duidelijk boven de jongens uit. Maar zodra de puberteit begint, zinkt het prestatiegemiddelde van meisjes drastisch. Hoe kan dat toch?

Vandaag las ik dit artikel over dit onderwerp. Veel van deze inhoud komt aan bod in een zeer boeiend hoofdstuk (H38) uit het Handbook of Gifted Education (Colangelo) over dit onderwerp. En omdat het zo'n duidelijk stuk is, wil ik je graag ernaar verwijzen.

Laat de inhoud eens goed op je inwerken en bedenk hoeveel potentieel elke generatie hierdoor verloren gaat! Hoe kunnen we deze meiden in sociaal opzicht laten blijven meetellen terwijl ze hun mogelijkheden blijven benutten? Lijkt me een interessante discussie!

9 dec. 2012

Hij kan het wel, maar hij wil het niet!

Docenten willen graag dat leerlingen gemotiveerd zijn. Maar we zien vaak genoeg dat dit niet het geval is. Maar wat is dat eigenlijk, gemotiveerd zijn? En wat kan er aan de hand zijn? Kun je motivatie verbeteren?

Motivatie is eigenlijk kortweg de eigen wil om door te gaan met bepaald gedrag, zonder daarvoor waardering van anderen te ontvangen. We hebben het hier dus over motivatie die uit jezelf komt; intrinsieke motivatie. Hedendaags onderzoek gaat er van uit dat deze motivatie bij iedereen aanwezig is: een motivatie om tegemoet te komen aan je eigen psychologische basisbehoeften.


Een jongen met hoofdbehoefte 'Er toe doen',
kan bijvoorbeeld de clown uit
gaan hangen in de klas.
 
Er zijn grofweg 6 menselijke behoeftes te onderscheiden, waarvan er 4 basisbehoeftes zijn:
1. Zekerheid (goed kunnen overleven)
2. Variatie (behoefte aan afwisseling)
3. Er toe doen (zich belangrijk voelen, erkenning krijgen, maar ook: bijdragen aan...)
4. Liefde en verbinding
De andere twee behoeftes zijn:
5. Persoonlijke groei (deze behoefte komt naar voren in persoonlijke crises)
6. Zinvol zijn, betekenis hebben (voor anderen of samenleving)








Een kind met hoofdbehoefte 'Verbinding'
kan vriendinnen veel belangrijker vinden
dan schoolwerk.
Altijd positief
Elk gedrag (positief of negatief) van een kind is een reden om in een van deze basisbehoeftes te voorzien. Vragen stellen kan een gevolg zijn van behoefte aan zekerheid. En aan storend gedrag kan de behoefte aan variatie ten grondslag liggen. Elk gedrag heeft dus eigenlijk een positieve reden. Alleen is dat gedrag niet altijd het gedrag (en de motivatie) dat een leerkracht wil zien.

Omdat behoeftes direct beïnvloed worden door omgevingsfactoren van een leerling, kan de intrinsieke motivatie van een kind in de loop der tijd veranderen. Een dreumes die uit zichzelf blijft oefenen tot hij kan lopen, kan als tiener in geen elk schoolwerk nog een interessante opgave zien. Wat is er dan onderweg mis gegaan?

Beloning
Totdat een kind naar school (of kinderdagverblijf of peuterspeelzaal) gaat, is er vaak een sterke intrinsieke motivatie. Maar zodra de schooltijd begint, gaat het bij een flink aantal kinderen mis. En dat is ontzettend jammer, want resultaten van intrinsiek gemotiveerd werk zijn vrijwel altijd kwalitatief beter dan resultaten van werk dat vanuit de buitenwereld wordt beloond. Een belangrijke reden dus om intrinsieke motivatie te stimuleren.
Een belangrijke reden waarom intrinsieke motivatie wordt ondermijnd, is extrinsieke beloning. Stickers, complimenten, een opgestoken duim, een cijfer....allemaal goed bedoeld, maar helpen een kind meestal niet. Zeker niet als de moeilijkheidsgraad van het werk dat de leerling heeft gemaakt, niet passend is met de beloning. En hier gaat het bij veel kinderen mis!

Ah, dit wordt van mij verwacht!

Hoogbegaafde kinderen zijn vaak heel gevoelig
voor signalen van leerkrachten. Ze pikken
(onbedoelde) signalen vaak zeer snel op.
Stel: een leerling maakt een werkstuk over dino's. Hij wil er eigenlijk wel 20 pagina's over volschrijven, omdat hij knetterboeiend vindt, en stapels informatie heeft verzameld én gelezen. De opdracht voor alle kinderen is echter om vier van tevoren vastgestelde hoofdstukken te schrijven. Hij levert uiteindelijk keurig deze vier hoofdstukken in, en krijgt een uitstekende beoordeling. Echter, dit resultaat is ver beneden zijn interesse én beneden zijn kunnen. Toch krijgt deze leerling het signaal: dit resultaat wordt van jou verwacht, zo is het goed. Wanneer een leerling gevoelig is voor deze signalen, bijvoorbeeld door een basisbehoefte van liefde en verbinding, is demotivatie geboren. De leerling gaat onderpresteren.

Onderpresteren komt in alle niveaus van het onderwijs voor. Maar vooral kinderen die de leerstof goed aan kunnen (meer- en hoogbegaafd) lopen hier tegenaan. De lat ligt voor hen niet altijd hoog genoeg en ze worden vaak gewaardeerd om prestaties beneden hun mogelijkheden. Zij ervaren daardoor in de loop van tijd dat ze de controle over hun leerproces verliezen. Ze gaan presteren naar wat van hen verwacht wordt, en niet naar wat ze zelf zouden willen. Het ondermijnt hun zelfbeeld en zelfvertrouwen: na verloop van tijd hebben deze leerlingen steeds minder op zichzelf leren te vertrouwen. Met als uiteindelijk gevolg dat ze zelfs niet meer weten wat ze motiveert en interesseert. Met alle gevolgen voor hun persoonlijke ontwikkeling, studie en loopbaan. En dan zeggen sommige docenten: "Hoe moet ik hem nou helpen? Hij kán het wel, maar hij wíl het gewoon niet!" ...


Er zijn uiteraard nog veel meer redenen waarom leerlingen gedemotiveerd kunnen raken en gaan onderpresteren. Op dit blog zal ik in de komende tijd hier nog vaker over schrijven. Heb je een vraag of suggestie? Ik lees hieronder graag reacties op mijn blog!

1 dec. 2012

De gewoonte om je intelligent te gedragen

Aristoteles
Wij zíjn wat we telkens weer dóen. Excelleren is zodoende geen handeling, maar een gewoonte.  (Aristoteles)





Er is een verschil tussen slim ZIJN en slim DOEN. Sterker nog: misschien bestaat slim ZIJN helemaal niet. Tuurlijk, je kunt veel aanleg voor iets hebben. Maar dat wil nog niet zeggen dat je ook iets met die aanleg DOET. Wil je slim ZIJN, dan zal je je echt slim moeten GEDRAGEN. Dat geldt voor iedereen.

Wat is dat, slim doen?
Ik zie het vaak bij kinderen die het label ‘hoogbegaafd’ hebben gekregen. Iedereen weet dat het kind enorm veel potentie heeft, maar "het komt er niet uit!". Daar kunnen vele redenen voor zijn. Een sleutel om dit gedrag te veranderen ligt in de benaderingswijze van de slimheid*. Ik stel voor dat we bij kinderen eens niet benadrukken dat ze slim ZIJN. In plaats daarvan moeten we van ze verwachtendat ze zich slim GEDRAGEN. Als we ze die verantwoordelijkheid geven, dan gaan ze zich daar naar gedragen. Vervolgens kunnen ze veel meer van hun talenten laten zien. 


Leergedrag dat een gewoonte wordt
Het leervermogen van een kind is een verzameling van denk-/leervaardigheden en –gewoontes. Dit geheel groeit niet vanzelf, het groeit door de inzet die het kind doet. Een essentieel onderdeel van ons onderwijs is het vergroten van het leervermogen, en dus het aanleren van deze leer- en denkvaardigheden. Na het aanleren moeten deze vaardigheden door oefening inslijpen zodat het gewoontes worden. Helaas is er binnen ons onderwijs maar beperkt aandacht hiervoor. Dat is jammer omdat het eigenlijk cruciale gewoontes zijn om succes (in breedste zin van het woord) te kunnen bereiken in het leven.


Er is onderzoek gedaan naar wat succesvolle mensen (in alle lagen van de bevolking) zover heeft gebracht. Daarbij kwamen 16 denkgewoonten (in ’t Engels: Habits of Mind) naar voren die mensen laten zien als ze zich intelligent en/of effectief gedragen. Deze gewoonten zijn vaardigheden die stuk voor stuk leerbaar zijn. Ik geef je hier een korte omschrijven van 6 gewoontes (anders wordt deze blog zo lang). Geef deze gewoontes eens een plek in je lesstof. Kies er voor elke week eentje uit om te behandelen in een kringgesprek, en verwacht leerlingen ernaar te gedragen (elk kind op zijn eigen niveau). Met welke gewoonte begin jij maandag?





  1. Doorzettingsvermogen. Effectieve mensen geven niet snel op en proberen verschillende oplossingsstrategieën. Ze werken systematisch aan een probleem. Ze weten hoe ze moeten beginnen, welke stappen ze vervolgens moeten nemen en welke informatie ze nodig hebben. Veel leerlingen geven snel op, roepen “Dat kan ik niet!”, of raffelen werk af om er mee klaar te zijn. Deze leerlingen geven op omdat ze niet genoeg oplossingsstrategieën in huis hebben.
  2. Beheersen van impulsiviteit. “Eerst denken, dan pas doen!”. Mensen met deze eigenschap houden niet van vallen en opstaan. Ze bedenken een plan en voeren dat uit. Soms roepen leerlingen bij een vraag het eerste dat in hen opkomt. Of ze gaan liever gelijk aan de slag met eerste de beste idee dat in ze opkomt. Deze leerlingen moeten leren dat het handiger is om na te denken over alternatieve ideeën of over de consequenties. 
  3. Begripvol en invoelend luisteren. Bijna de helft van onze tijd besteden we aan luisteren. Toch is het een van de dingen die het minst geleerd wordt op scholen. Een effectieve luisteraar kan zich inleven in de ander, en begrijpt zijn standpunt. Pas daarna denkt hij na over zijn eigen antwoord. 
  4. Flexibel denken. Wanneer een effectieve denker nieuwe informatie heeft gekregen over zijn probleem, is hij in staat om zijn ideeën of handelen aan te passen. Deze flexibiliteit is ook de basis van humor en creativiteit. Soms hebben leerlingen de mening dat hun eigen idee de enige juiste is. Voor hen is het belangrijk flexibiliteit aan te leren, om egocentrisme en halsstarrigheid te voorkomen. 
  5. Nadenken over je eigen denken: metacognitie. Intelligente mensen plannen, reflecteren en evalueren de kwaliteit van hun eigen denk- en leerstrategieën. Hierdoor ontstaat er een toenemend bewustzijn van je eigen handelen en het effect daarvan. Regelmatig nemen leerlingen (en leerkrachten) niet de tijd om hun gedachten te reflecteren en te evalueren. Ze doen eigenlijk maar wat en kunnen niet aangeven hoe ze tot bepaalde oplossingen gekomen zijn.
  6. Streven naar nauwkeurigheid en precisie. Intelligenten mensen hechten waarde aan deze aspecten en nemen de tijd om hun product te controleren/verbeteren. Ze stellen hoge eisen aan zichzelf, zijn trots op hun product en hebben de wil om hierin te excelleren. Bij leerlingen die hierin nog te leren hebben, zie je slordig werk dat niet helemaal af is. Ze kijken hun werk niet na op eventuele fouten en leveren het liever snel in.
De andere 10 zijn:
7. Vragen stellen en problemen ontdekken
8. Oude kennis toepassen in nieuwe situaties
9. Duidelijk en nauwkeurig denken en communiceren
10. Al je zintuigen gebruiken
11. Verbeelden, creëren en innoveren
12. Verwonderen en ontzeg hebben
13. Verantwoorde risico's nemen
14. Humor
15. Samen denken
16. Levenslang leren

Meer achtergrond hierover kun je in deze presentatie verder te lezen. Verder heeft deze theorie veel raakvlakken met de theorie over Mindset, waarover ik eerder deze blog schreef. De groeimindset, waarbij je ervanuit gaat dat intelligentie kan groeien door inzet, en het onderwijzen in bovenstaande gewoontes, zorgt ervoor dat kinderen met veel potentie zich kunnen ontwikkelen tot talentvolle volwassenen die een mooie bijdrage aan de maatschappij kunnen geven en zich goed in hun vel voelen. En daar is het onderwijs naar mijn bescheiden mening juist voor bedoeld!
 
 
Tip: Op deze site vind je nog veel meer informatie over de Habits of mind
*Gebaseerd op de theorie van Arthur L. Costa: The Habits of Mind

27 nov. 2012

Ander onderwijs, hoe dan?


In mijn vorige blog (tip:lees dat eerst voordat je aan dit blog begint) schreef ik over hoe hoogbegaafde leerlingen verschillen van normaal begaafde leerlingen. En hoe ze daardoor behoefte hebben aan een andere benadering in het onderwijs. Een logische vraag is vervolgens: HOE realiseer ik dan ANDER onderwijs voor deze leerlingen? Daarop wil ik je vandaag een handreiking geven. Ik kan het niet tot in de puntjes aan je voorleggen, omdat elke hoogbegaafde leerling anders in elkaar steekt. En daar moet je rekening mee houden.

Hieronder beschrijf ik natuurlijk de ideale situatie. Kijk wat voor jou en je school haalbaar is. Wees daarin eerlijk; naar jezelf, naar je collega’s, naar de ouders én naar het kind. Niemand heeft iets aan een prachtig opgezet plan, zonder de capaciteiten om het uit te voeren.

Compacten en verrijken
Om ander onderwijs te bieden, zal je eerst ‘ruimte’ moeten maken. Omdat hoogbegaafde kinderen behoefte hebben aan minder herhaling, kun je de reguliere lesstof compacten. Dit betekent dat je veel herhaling weglaat, zodat er tijd ontstaat voor andere lesstof. Veel leerkrachten vinden het moeilijk om deze herhaling los te laten, omdat ze bang zijn dat de leerling hiaten oploopt. Jij ook? Bedenk dan dat de lesstof van een dag van een reguliere schoolklas op bijv. Leonardoscholen in anderhalf uur wordt doorlopen! De rest van de dag wordt gebruikt voor verrijking (andere lesstof die uitdagend is) van het lesprogramma. Dus er is vast ruimte voor je leerling om wat lesstof los te laten. Voor compacten is dus een beetje lef nodig. Uiteraard is het wel belangrijk dat de leerling het automatiseren voldoende ontwikkelt.
Een manier om vinger aan de pols te houden wat betreft de lesstof en het automatiseren is om vooruit te toetsen. Laat de leerling de tussentoetsen van de methode voorafgaand aan het blok maken. Herleid hieruit vervolgens welke lesstof de leerling nog nodig heeft en welke je kunt laten vervallen.

Doortoetsen
Om te weten welk niveau de leerling aan kan, zal hij per vak moeten worden doorgetoetst. Dit kan met bijv. de gebruikelijke LVS-toetsen. Neem de toetsen af totdat de leerling net onder het gemiddelde (bijv Cito-score IV) scoort. Dus niet voldoende of hoger, want dat is al zijn beheersingsniveau. Je wilt weten waar hij iets nieuws kan leren, dus toets je door tot hij de stof niet meer beheerst. Vaak kom je bij een hoogbegaafde leerling daarmee in hogere leerjaren uit. Beslis dan samen met IB-er, ouders en eventueel kind of je het kind op dat hogere niveau wilt laten verder werken (je gaat dan versnellen, met als gevolg dat hij bijv. in groep 6 ‘klaar’ is met de rekenstof van de basisschool) of dat je verdiepend werk gaat aanbieden zodat het kind niet verder z’n jaarklas vooruit werkt. Dit laatste klinkt misschien vreemd, maar met de juiste materialen en begeleiding kun je vaak een hoogbegaafde leerling nog veel laten leren binnen zijn jaarklasniveau.

En dan… 
... komt het echte werk: de leerstof wordt aangepast. Maar hoe? Uit recent onderzoek is gebleken dat hoogbegaafde kinderen het beste leren in een begeleid onderzoekende leersituatie. Dit betekent dat zij graag zelf een vraagstuk onderzoeken en daarin begeleid moeten worden door een leerkracht. Ook leren zij vaak liever op een abstract niveau dan concreet. Verder gedijen zij goed bij nieuwigheden, bij intensiteit en genieten vaak van (enige) complexiteit.
Er zijn veel materialen op de markt die hierbij aansluiten. Ook projecttaken, webquest’s, filosofie-lessen etc. komen hiervoor in aanmerking. Belangrijk voor de hoogbegaafde leerling is dat hij hierbij voldoende ondersteuning en feedback krijgt. Begeleiding moet een regelmatig en vaststaand onderdeel zijn van zijn programma. Een mooie plek om dit type onderwijs te geven is een plusklas. Wanneer een leerling voor het eerst begint met verrijkende taken, kies dan voor een onderwerp dat hem erg interesseert maar waar hij nog niet veel van af weet. Zo is hij meer gemotiveerd én is het leerrendement een succeservaring voor de komende taken.

Tips: 
Uiteraard valt er nog enorm veel te vertellen over goed onderwijs voor hoogbegaafden. Heb je nog ideeën, suggesties of vragen? Laat het hieronder weten! Ik vind het heel waardevol als je een reactie geeft.

20 nov. 2012

ZO ANDERS

Een moeder op het schoolplein:
Wat is er toch zo anders aan een hoogbegaafd kind? Waarom heeft deze, volgens hun ouders en al die specialisten, zo veel meer hulp nodig dan een normaal begaafd kind? Is dat geen onzin? Kan iemand me dat eens uitleggen?

Nou, dat wil ik wel!
Al eerder schreef ik een blog over hoe moeilijk het kan zijn om een hoogbegaafd kind te begrijpen. Daarin ging ik in op het verschil in beleving van de wereld door het verschil in intelligentie. Vandaag wil ik nog een stapje verder gaan in die uitleg. Daarvoor eerst een korte uitleg van een wiskundige theorie:

De Catastrophe Theory
Wiskundige René Thom ontwikkelde in 1968 de Catastrophe Theory. Hij wilde daarmee bijvoorbeeld verklaren hoe sommige stoffen plotseling kunnen veranderen van samenstelling of vorm tot iets compleet anders. Het simpelste voorbeeld is water. Wanneer water heter en heter en heter wordt, zal dit, afhankelijk van de temperatuur, de hoeveelheid, de druk en de chemische toevoegingen, veranderen in een totaal andere vorm: stoom. Er komt dus een punt waarop meer en meer en meer leidt tot ANDERS. Dit is de Catastrophy Theory. Het geldt natuurlijk ook voor water dat kouder en kouder en kouder wordt. Ook hier leidt meer kou tot iets heel anders: ijs.

Anders door begaafdheid
Dit principe kun je ook toepassen op hoogbegaafdheid. Wanneer een persoon beschikt over meer intelligentie, meer autonomie, meer gevoeligheid, meer motivatie, en ga zo maar door, ontstaat er een persoon die niet alleen maar méér slim is dan anderen, maar juist iemand die ANDERS is. Het is een persoon die niet behoefte heeft aan méér van dezelfde lesstof, maar aan ANDERE lesstof. En een andere uitleg en benadering van lesstof. En hier gaat het vaak fout in ons reguliere onderwijs. De lesstof wordt wel wat aangepast, en de leerling mag soms zelfs een dagdeel naar een plusklas. Maar is dat voldoende 'anders' voor de leerling? De inhoud van de lesstof, de materialen waarmee gewerkt wordt én de manier van aanbieden moeten dus niet leiden tot méér werk maar tot ANDER werk.

Gaat het niet lekker met die hoogbegaafde leerling in je klas? Vraag jezelf dan af of de lesstof ANDERS genoeg is voor deze anders denkende leerling. En als je er niet alleen uitkomt, vraag dan hulp aan je ib-er, aan de ouders én aan het kind zelf!

Dus, beste moeder op het schoolplein: een hoogbegaafde leerling heeft dus niet méér begeleiding nodig dan andere kinderen, maar hij heeft ándere begeleiding nodig. En dat is helemaal geen onzin.

18 nov. 2012

Het gemiddelde kind

Onderpresteren. Elke leerkracht heeft er over geleerd of gelezen. Maar zou er bij jou in de klas ook een onderpresteerder zitten? Hoe kom je daar nou achter? Onderpresteren is niet alleen ‘weggelegd’ voor hoogbegaafde leerlingen. Ook normaal- en meerbegaafde kinderen presteren soms minder dan ze zouden moeten kunnen. Hierdoor wordt veel talent onbenut. Dr. Sylvia Rimm noemt onderpresteren "een nationale epidemie". En inderdaad, als al deze leerlingen beter zouden kunnen presteren, zou dat enorm veel potentieel tot wasdom laten komen.


Wat is het nou precies?
Onderpresteren betekent dat een leerling minder presteert dan dat je op basis van zijn aanleg/kwaliteiten zou kunnen verwachten. Je kunt daarbij denken aan kinderen die de ene na de andere onvoldoende scoren (absoluut onderpresteren) of aan leerlingen die zevens halen, terwijl een tien voor hen ook haalbaar zou zijn (relatief onderpresteren). Deze laatste groep komt het meest voor. Het is ontzettend lastig om deze leerlingen in je klas te herkennen. De onderpresteerder past zich aan het niveau van je groep aan, om niet op te vallen. Kijk daar dan maar eens doorheen! 

Leerhonger
Tessa Kieboom beschrijft in haar boek Jij kan beter! hoe onderpresteren ontstaat. Ze vergelijkt ‘leerhonger’ met de dagelijkse behoefte om te eten. Stel dat je elke dag zo'n 5 boterhammen nodig hebt om je trek te stillen. Maar je krijgt er elke dag maar 3. Je zal elke dag voeding tekort komen, maar je lijf zal zich aanpassen naar het dieet dat je krijgt voorgeschoteld. Je honger zal verdwijnen, maar toch krijg je continu te weinig voeding binnen. En ergens blijft er misschien een ontevreden gevoel. Dit is eigenlijk wat er ook gebeurt met veel hoogbegaafde leerlingen. In het basisonderwijs beheersen hoogbegaafde kinderen al 35-50% van de lesstof vóórdat deze behandeld is. Wanneer er dan geen passend alternatief wordt geboden, kan het kind zich gaan aanpassen aan het niveau van de klas. Het gaat dan onderpresteren. 

Wanneer leerlingen te weinig worden uitgedaagd, verliezen zij het gevoel van controle over hun schoolprestaties. Ze verliezen vaak zelfvertrouwen, ontwikkelen een laag zelfbeeld. Dit heeft te maken met hun fixed mindset. Hierover schreef ik eerder al een blog. Ze leveren liever een prestatie waarmee ze risicoloos meedeinen in de klas, dan dat ze een risico nemen. 



Basisvaardigheden blijven achter
Door deze houding ontwikkelen ze allerlei persoonlijke basisvaardigheden veel minder dan goed presterende leerlingen. Zoals het doorzettingsvermogen. Deze leerlingen schudden een zesje uit hun mouw en leren niet hoe ze zich moeten inspannen als de lesstof even moeilijk wordt. Ze gaan daardoor inspanningen vermijden. Ook leggen ze hun lat lager: wanneer ze hun verwachtingen verlagen, dan is het risico om te falen ook kleiner. Ook ontwikkelen zij hierdoor niet de belangrijke leerstrategieën.

Hetzelfde geldt voor vaardigheden op het gebied van zelfdiscipline, zelfsturing, verantwoordelijkheid, etc. Verder stellen ze zich in hun leren vaak erg afhankelijk op van anderen. Ook hebben deze leerlingen vaak een gebrek aan zelfkennis en inzicht in wat hen werkelijk motiveert. En het gebrek in deze vaardigheden zal ze niet alleen op school tegenwerken, maar juist ook later, in studie en werk, komen ze hun beperkingen keihard tegen.
Genoeg redenen om er iets aan te doen. Maar hoe? Om onderpresteren te verminderen, moet je het eerst signaleren om het vervolgens te kunnen aanpakken.

Signaleren
Uiteraard is onderpresteren het beste te voorkómen. Het zou daarom goed zijn om hier specifiek aandacht aan te geven bij de intake op school. Gebruik de kennis en mening van de ouders. Hoe zien zij de ontwikkeling van hun kind? Wat valt het op? Was er al sprake van onderpresteren op het kinderdagverblijf (gebeurt regelmatig!)? Wees er bewust van dat een kind zich binnen 6 weken volledig kan aanpassen aan een klas!

Er bestaan ook speciale signaleringslijsten waarin (kans op) onderpresteren wordt meegenomen. Zie je kenmerken uit de vorige alinea’s bij een leerling? Trek dan ook aan de bel. Neem verder in overweging:
  • Meisjes vertonen vaker aanpassingsgedrag dan jongens, omdat zij het vaker belangrijk vinden om bij een groep te horen. Dit speelt vooral in het VO een belangrijke rol in onderpresteren. Dit betekent niet dat jongens niet kunnen onderpresteren! 
  • Heeft een kind heel wisselende resultaten? Zoals lage cijfers voor het schoolse werk, maar hoge voor bijv. projecten of werkstukken? Misschien is het een onderpresteerder.
  • Verdenk je een leerling van ADHD? Overweeg of de opgewondenheid, de hoge creativiteit, onoplettendheid, het snelle tempo en/of impulsief gedrag niet voortkomt uit verveling en onderpresteren. Hoogbegaafde leerlingen krijgen nog vaak onterechte labels als ADHD of PDD-NOS opgeplakt. 
  • Leerlingen uit lagere sociale milieus met een goed stel hersens krijgen vanuit huis vaak minder stimulering mee. Door de lage verwachting van hun ouders kunnen zij geneigd zijn om te gaan onderpresteren. En daardoor ontdekken leraren vaak de eigenlijke capaciteiten van zo'n leerling niet.
Onderpresteren aanpakken
Dit is moeilijk en complex. Wanneer je onderpresteren vermoedt, zoek dan steun bij je ib-er. Samen met de ouders zal een plan moeten worden opgesteld. Daarin zijn de volgende stappen essentieel:
  1. Zorg dat je uitgebreid overzicht krijgt van de vaardigheden, talenten en soort van onderpresteren van het kind. Hierbij is een IQ-test, didactische toetsen, een uitgebreide beschrijving van talenten, karakter en interesses noodzakelijk. Vergeet hierbij de mening van de ouders niet!
  2. Communiceer regelmatig en planmatig met de ouders. Bespreek de vooruit/achteruitgang op een open manier. Kijk hoe je elkaar kunt versterken. 
  3. Pas je verwachtingen van het kind aan. Soms kun je moeilijk geloven dat dít kind meer kan dan hij laat zien. Toch is het belangrijk dat je hoge verwachtingen hebt. Pas dán kan bij het kind de basis worden gelegd tot eigen hoge verwachtingen. De hele omgeving zal deze verwachtingen moeten aanpassen.
  4. Geef de leerling een rolmodel om zich mee te identificeren. Onderzoek toont aan dat de beste omgeving voor bijv. een onderpresterende jongen is een sterke, competente vader. Dit is niet altijd te realiseren. Zoek daarom een rolmodel dat bij deze leerling past. 
  5. Start met een plan om de basisvaardigheden te verbeteren. De uitvoering hiervan vraagt om enig fingerspitzengefühl. Hiermee bedoel ik dat je moet proberen aan te voelen hoeveel je van de leerling kunt vragen (bijv. in onafhankelijkheid) op dat moment. 
  6. Maak de aanpassingen zowel op school als thuis. Gesprekken tussen ouders en de leerkracht zullen laten zien dat de leerling op soms manipulatieve manieren probeert zijn onderpresteren gedrag voort te zetten. Uitspraken als “Mijn moeder heeft mijn huiswerk kwijtgemaakt.” Of  “De juf helpt me helemaal niet als ik het niet snap.” zullen zeker voorbij komen.
Tot slot: Uit onderzoek blijkt dat de belangrijkste oorzaak van onderpresteren is het ontbreken van een intellectueel klimaat op een school. Dus: hoe staat jouw school er dan voor?
 
Leestips:
Heb je nog aanvullingen? Heb je een vraag? Laat het hieronder weten. Ik vind het erg leuk om reacties te lezen!

30 okt. 2012

Waar wil jij meer over weten?


De afgelopen week heeft deze blog een enorm stijgend aantal lezers gekregen. Daar ben ik ontzettend dankbaar voor! Want hoe meer mensen iets van hoogbegaafdheid afweten, hoe beter onderwijs we aan getalenteerde leerlingen kunnen geven.

Via Twitter en andere kanalen heb ik gevraagd naar onderwerpen waar jullie graag iets over willen weten. Zo vroeg iemand me te schrijven over hoogbegaafdheid in combinatie met stoornissen zoals adhd of autisme. Een ander vroeg me te schrijven over het belang van vroege signalering en hoe je dat kunt aanpakken. Dus daar kun je in de komende tijd wel iets over verwachten hier.

Heb jij ook een onderwerp waar je meer van wilt weten? Of heb je een vraag? Laat het hieronder dan weten. Ik zal er met plezier een blog aan proberen te wijden!

Dank voor de fijne reacties en blijf talent ondersteunen!

Groet,
Lonneke

28 okt. 2012

Het monstertje dat Faalangst heet

Hoogbegaafde kinderen hebben vaker dan gemiddeld last van faalangst. Hoe komt dat? En wat doe je eraan? Hieronder een korte weergave van het fenomeen FAALANGST, een monstertje dat aan motivatie en prestatie knabbelt.


bron: www.foksuk.nl

De wie-wat-waar's

In groep 8 heeft ongeveer 1 op de 10 leerlingen last van enige mate van faalangst. Best veel, vind ik. In het VO wordt die verhouding nog groter. Veel hoogbegaafde kinderen hebben last van enige mate van faalangst. Maar wat is dat nou eigenlijk precies?
Faalangst bestaat op cognitief vlak: angst om fouten te maken bij leerwerk of toetsen, op sociaal vlak: angst om voor een groep te spreken of op iemand af te stappen, en op motorisch vlak: angst om te verlammen.

Aan sommige kinderen (en volwassenen) zie je duidelijk dat ze er last van hebben; ze gaan zweten, krijgen buikpijn, krijgen een rood hoofd of moeten telkens naar de wc. Ook kennen we allemaal het beeld van een verlegen kind dat het liefst zich terugtrekt. Maar er bestaan ook andere uitingsvormen van faalangst. Het kind dat zich gaat overschreeuwen, agressief gedrag vertoont of de clown uithangt. Zij proberen met dit gedrag hun faalangst te bedekken, wat vaak –voor henzelf- zogenaamd effectief is. Hun gedrag voorkomt falen op het gevreesde gebied, hun gedrag wordt door de leerkracht of groep afgekeurd, waarmee zij de negatieve bevestiging krijgen van hun slechte zelfbeeld. Een negatieve spiraal is geboren.

"Ik kan dat toch niet"

Want een negatief zelfbeeld ligt namelijk ten grondslag aan faalangst. Succeservaringen worden toegeschreven aan externe factoren (“de toets was makkelijk” “de juf had het goed uitgelegd”), falen aan zichzelf (“ik kan dat gewoon niet”). Hierdoor hebben ze grote moeite om complimenten te aanvaarden. Ze vinden eenvoudigweg dat ze die niet verdienen!

Faalangst bij hoogbegaafde kinderen ontstaat meestal doordat zij van jongs af aan veel succeservaringen hebben, maar weinig ervaring met falen. Al heel jonge hoogbegaafden (zelfs van 2 of 3 jaar) ervaren dat het meeste dat ze proberen gelijk lukt. Wanneer zo'n leerling weinig uitdaging krijgt, zal het eenvoudigweg niet leren om te gaan met falen! Je kunt je vast voorstellen dat wanneer het kind dan wél eens tegen een fout aan loopt, de schrik groot is en daar angstig van wordt.

Een omgeving (thuis en/of school) waarin veel nadruk wordt gelegd op prestatie, en niet op je inzet is daarbij desastreus. Hierover kun je meer lezen in mijn blog over mindset. Als er in je omgeving veel aandacht is voor wat gelukt is, maar niet voor de weg naar dat succes, zal een kind leren dat je iets gelijk moet kunnen, zonder daarvoor te werken. En als een kind dan ook nog perfectionistische neigingen heeft, ligt faalangst niet op de loer, maar is het een monstertje dat zijn prestaties en inzet langzaam zal opvreten.

Actieve of passieve faalangst

Een faalangstig kind kan er (onbewust) voor kiezen om keihard te werken, zodat het de meeste kans van slagen heeft. Hij haalt soms ook resultaten die boven verwachting zijn. Eigenlijk werkt hij harder dan nodig is: actieve faalangst. Hierdoor kunnen vervelende klachten zoals stress (buikpijn, zere nek, etc) ontstaan.

Andere leerlingen stoppen met zich in te spannen (ook onbewust natuurlijk) omdat “het toch geen zin heeft": passieve faalangst. Ze ‘vergeten’ hun toets, of worden ziek. Ze stellen hun leren maar uit en uit, totdat het te laat is. Wat vervolgens het negatieve zelfbeeld weer bevestigt. Dit gedrag lijkt dus op een motivatieprobleem, maar komt voort uit faalangst!


Deze faalangstladder kwam ik tegen op internet. Ondanks flink speurwerk kan ik de bron niet achterhalen. Ik heb de poster in het Nederlands vertaald. Het kan een leerling inzicht geven in de stappen naar succes. Print 'm uit en hang 'm in je klas!

Wat kun je doen?

Faalangst verdwijnt vrijwel nooit vanzelf. Het bestaat bij gratie van gedachtegangen waarvan een kind zich niet bewust is en deze kunnen hem een heel leven blijven achtervolgen. Wanneer je een kind ziet worstelen met faalangst, trek dan aan de bel en zorg:
  • dat het kind goede begeleiding krijgt. Veel SBD’s bieden trainingen aan waarin kinderen leren om ‘helpende gedachten’ te gebruiken. Natuurlijk bestaan er ook particuliere trainingen. Kijk hierbij goed naar de behoefte van het hoogbegaafde kind. Wat past bij hem/haar?
  • daarnaast voor een leeromgeving waarin fouten maken een groot onderdeel is van leren.
  • dat je de juiste complimenten geeft.
  • dat de leerstof niet te makkelijk én niet te moeilijk is. Hierbij is een goed didactisch onderzoek noodzakelijk en de nodige doses fingerspitzengefühl. Maak ook gebruik van interesses van het kind.
Wil je nog meer weten? Heb je ook een goede tip? Wil je iets anders kwijt? Laat het dan hieronder weten, want ik vind het leuk (en leerzaam) om je reactie te lezen!

24 okt. 2012

Hoe daag je AL je leerlingen uit?


(en dus ook die begaafde leerlingen?)

Heb jij je wel eens afgevraagd of je alles uit je leerlingen haalt? Of hoe je goede vragen stelt waarover je leerlingen flink moeten nadenken? Weet je niet of het lesmateriaal je leerling voldoende uitdaagt?

Verdiep je dan (nog) eens in de taxonomie van Bloom. Dit is een systematische weergave van belangrijke denkvaardigheden. Door je lessen volgens deze ordening vorm te geven, kun je al je leerlingen uitdagen om op hun beste niveau te presteren.



taxonomie Bloom, hoogbegaafdheidHet model in het kort

Bloom verdeelt de cognitieve vaardigheden op in zes verschillende niveaus. De indeling loopt van makkelijk naar moeilijk. En een hoger niveau betekent telkens dat het lagere niveau al wordt beheerst. De onderste drie vaardigheden worden ook wel het lagere-orde denken genoemd: onthouden, inzicht/begrijpen, toepassen. Het gaat om het reproduceren van informatie: Wat is de hoofdstad van Noorwegen? Waarom bestaat er dag en nacht?
De bovenste drie vaardigheden zijn van hoger niveau: analyseren, evalueren en creëren. Hier gaat het om produceren van nieuwe ideeën: Ontwerp een plattegrond voor je droomspeeltuin. Vergelijk de meningen van deze kinderen. 

Het ligt misschien voor de hand, maar meer- en hoogbegaafde kinderen kun je vooral uitdagen door de hogere denkvaardigheden te gebruiken. Door in je les alle zes de lagen toe te passen, daag je min of meer elke leerling uit om op zijn eigen niveau te kunnen denken.


De lagere denkniveaus

Onthouden is een basisvaardigheid die uiteraard belangrijk is. Pas als je de nodige kennis in huis hebt, kun je stijgen naar de hogere denkniveaus. De tweede stap is begrijpen van de informatie. Een leerling weet betekenis te geven aan de informatie. Wanneer dit begrip aanwezig is, kan een leerling informatie gaan toepassen in nieuwe situaties.

Deze denkvaardigheden komen veelvuldig in ons onderwijs voor. Sla maar eens een geschiedenisboek open, dan zal je het zien. Het zijn belangrijke vaardigheden, maar voor veel meer- en hoogbegaafde kinderen niet uitdagend genoeg. Om ze ergens hun tanden in te laten zetten, zal je moeilijkere happen moeten geven.
Creëren: Maak een film over de gevolgen van pesten.

De hogere denkniveaus

Bij het analyseren moet een leerling de informatie opdelen in verschillende onderdelen. En bij het evalueren zal hij aan die informatieonderdelen waarde moeten geven. Tenslotte zal hij bij het creëren alle vaardigheden moeten combineren om tot iets nieuws te komen.

Deze hogere denkvaardigheden worden lang niet altijd in lessen aan leerlingen gevraagd. Voor sommige leerlingen is dat geen probleem, zij hebben voldoende uitdaging aan de eerste drie vaardigheden. Voor meer- en hoogbegaafde leerlingen zijn deze hogere denkvaardigheden echter noodzakelijk brood. Zonder deze vaardigheden blijven ze honger hebben. Een honger naar leren. En daar kunnen ze soms heel naar van worden. 

Dus…

Wanneer je, in elke les die je geeft, de bovenstaande denkniveaus weet te verwerken, zorg je ervoor dat elke leerling voldoende uitdaging kan vinden. Om iets verder in de materie te duiken wil ik je dit document aanraden; het geeft diepere uitleg, geeft voorbeelden en handreikingen. Lees het en daag  je leerlingen uit. Vul je lessen met Bloom en AL je leerlingen zullen opbloeien!


P.S. Hier vind je wellicht de mooiste weergave van het model van Bloom met voorbeelden. Beweeg met je muis over de vakjes!

10 okt. 2012

5 okt. 2012

Leerstrategieën voor de hoogbegaafde leerling


Als jouw hoogbegaafde leerling een opdracht foutloos heeft gemaakt (resultaat), heeft hij dan ook geleerd HOE hij de opdracht moest aanpakken (proces)? Dit is voor een hoogbegaafde vaak niet zo vanzelfsprekend.

Deze video is zo helder dat ik het niet in woorden ga uitleggen! Neem even 20 minuten de tijd om deze informatie in je op te nemen en vervolgens tot je door te laten dringen.







16 sep. 2012

Communiceren met (hoogbegaafde) kinderen

“Een kind is net nat cement. Alles wat we tegen hem zeggen laat een stempel achter. Wij hebben de verantwoordelijkheid als ouders en leerkrachten dat, voordat het cement hard wordt, de juiste stempels zijn geplaatst zodat een kind kan worden wie hij bestemd is te zijn."
Dr. Haim Ginott, kinderpsycholoog

Er zijn veel boeken geschreven over communiceren met kinderen. Voor elke opvoedstijl is er wel wat wils. Onlangs ben ik gegrepen door het boek How2talk2kids. De titel klinkt erg populair en Amerikaans. En eigenlijk is het boek dat ook allebei, maar op een niet-vervelende manier. Ik heb het boek gelezen omdat ik niet tevreden was over sommige communicatie met mijn eigen slimme kinderen. Al vanaf de eerste paar bladzijden veranderde mijn communicatie en daarmee mijn relatie met mijn kinderen. Wat een verademing! Ik heb vervolgens meermalen verzucht hoe graag ik dit boek had gelezen toen ik nog voor de klas stond. Daarom wil ik het graag met jullie delen.


"Ik zie dat je ontzettend boos bent op je vriendje."
 
Het principe
Er is een direct verband tussen hoe leerlingen zich voelen en hoe zij zich gedragen. Voelen ze zich goed, dan gedragen ze zich goed. Maar hoe help je een leerling zich goed te voelen? Door zijn gevoelens te accepteren. Elke emotie bij een leerling is toegestaan (niet elk gedrag!), en door empathisch te reageren voelt een leerling zich begrepen en wordt de angel uit het negatieve gevoel gehaald. Toen ik dit zelf ging toepassen was het wonderbaarlijk hoe snel het gedrag en de sfeer binnen ons gezin veranderde. Een simpele verandering van “Hou daarmee op!” naar “Ik zie dat je dit grappig vindt om te doen.” deed al wonderen. Soms hoefde ik niet eens verder iets te zeggen en hield –door mijn erkenning- het gedrag al op. Soms moest ik nog een paar stappen verder in het stappenplan van het boek. Ook zag ik een duidelijke vooruitgang in het zelfbeeld van mijn kinderen. Ze leerden zelf hun emoties te (h)erkennen en hun autonomie bloeide helemaal op!

Het boek heeft een stappenplan om een kind zich goed te laten voelen, binnen gestelde grenzen. Het werkt zonder straffen en belonen of time-outs. Het leert je alternatieven voor straf, waardoor een leerling leert dat zijn gedrag bepaalde (natuurlijke) consequenties heeft en als gevolg daarvan meer verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag. Belonen wordt vervangen door waarderen, belangstelling tonen en stimuleren zonder in te vullen. Complimenten geven op een manier zodat de leerling zichzelf prijst. Het leert jou als leerkracht om duidelijke, veilige grenzen te stellen; denk aan een stevig plafond en een degelijke vloer waartussen de kinderen autonomie en keuze hebben. En het geeft je handvatten om democratisch te zijn zonder toegeeflijk te worden.


"Hmmm..." en laat de leerling praten

Hoe kun je empathisch reageren op een negatieve emotie bij een leerling?
  • Luister oprecht en met aandacht naar het kind. Luister naar wat het eigenlijk wil zeggen.
  • Je kunt zijn gevoelens erkennen met korte woordjes als “oh”, ”aha’, “hmmm”, “ja ja”,….
  • Je kunt het gevoel benoemen. “Zo, jij bent boos!”, “Ik zie dat iets jou verdrietig maakt.”
  • Verwoord zijn verlangen, eventueel met wat fantasie. “Wat zou het fijn zijn als je al die woordjes al kon lezen, hè?
  • Alle gevoelens moeten worden geaccepteerd. Bepaald gedrag moet worden beperkt. “Ik zie hoe boos je bent op je vriendje. Vertel hem in woorden wat je wilt, niet met je vuisten.”
Veel van jullie denken nu: dit kost allemaal veel meer tijd, dan als ik zeg: “Hou daar mee op!”. En dat klopt. Maar uiteindelijk betaalt deze aanpak zich in tijd, sfeer en een goede relatie terug.

En hoe dan verder?
Het boek beschrijft in volgende hoofdstukken hoe je kinderen uitnodigt tot coöperatief gedrag, geeft handvatten voor alternatieven voor straf en legt uit hoe je autonomie bij kinderen kunt aanmoedigen. Als jullie dat interessant vinden, dan wil ik dat in een volgend blog nog wel eens behandelen. Laat het hieronder even weten als je daar meer over wilt weten.

Tot slot
Je hoeft geen ordeproblemen te hebben om baat te hebben bij een methode als How2talk2kids. De methode biedt ook uitkomst voor ouders en leerkrachten van bijzondere kinderen en kinderen met gedragsproblemen (ADHD, hypersensitief, hoogbegaafd). Zij blijken vaak veel baat te hebben bij een aanpak als deze. Volgens mij is voor hoogbegaafde kinderen is deze methode zo fijn werkbaar omdat het ingaat op behoeftes die van nature zo sterk bij hoogbegaafde kinderen aanwezig zijn, zoals behoefte aan autonomie en harmonie. Ook zorgt de manier van communiceren voor een evenwichtig en realistisch zelfbeeld. Iets wat soms erg wankel kan zijn bij deze groep kinderen.

Tot slot nog een tip: Het boek How to talk so kids can learn –at home and in school, Faber & Mazlish. Uit dezelfde reeks als How2talk2kids, gericht op het leerproces. Alleen Engelstalig verkrijgbaar.

6 sep. 2012

Complimenten, geef ze niet!

Zo vlak na de vakantie, aan het begin van het schooljaar proberen veel leerkrachten een positief gevoel in hun klas te brengen door veel complimenten te geven. “Merel, wat zit jij netjes op je stoel!” “Jamie, jij kunt al ver tellen, zeg.” “Maud, wat ben jij goed in turnen!”

Wij, leerkrachten, vinden dat we het zelfvertrouwen van onze leerlingen moeten versterken. Het opbouwen van eigenwaarde is een taak is van het onderwijs. Toch? We geven ze daarom regelmatig complimenten, zodat ze in zichzelf gaan geloven. En wanneer kinderen in zichzelf geloven, zullen zij durven te presteren en hoge doelen bereiken. Denken we…

Niet dus
Uit onderzoek is gebleken dat complimenten geven niet in verband staat met betere prestaties. Sterker nog, het geven van complimenten kan een negatief effect hebben op de prestaties van leerlingen. Uit onderzoek is gebleken dat kinderen niet harder of beter werken als ze complimenten krijgen. Sterker nog, kinderen die te horen kregen hoe slim en getalenteerd ze waren, raakten heel gemakkelijk ontmoedigd wanneer ze een ‘moeilijke’ taak kregen. De kinderen die niet op die manier gecomplimenteerd werden, werkten harder en gingen moeilijkere uitdagingen aan. Dit heeft te maken met de ontwikkeling van een bepaalde mindset van het kind. Over mindset schreef ik al eerder een blog.


Hoe kan dat nou?
Stel dat je een kind van 8 complimenteert voor het rechtzitten op de stoel. Of een 10-jarige dat hij een bal heeft gevangen. Je prijst hem dan eigenlijk voor iets dat hij sowieso al zou kunnen. Het kind zal zich even geweldig voelen. Als je een kleuter complimenteert bij zijn eerste getekende auto dat hij zo geweldig mooi kan tekenen, prijs je hem eigenlijk vóórdat hij het echt verdiend heeft. Want hij tekent namelijk nog helemaal niet zo mooi. En omdat hoogebgaafde kinderen zo veel dingen al snel kunnen, krijgen ze vaak te horen hoe goed, geweldig en fantástisch ze zijn.
Wanneer dit vaak gebeurt –bijvoorbeeld op school én thuis-, gaan kinderen hun eigenwaarde laten afhangen van de reactie van anderen: “Als niemand zegt dat ik slim ben, dan zal ik dat vast niet zijn.” Complimenten werken voor deze kinderen als een soort drug: ze hebben het nodig, want zonder voelen ze zich waardeloos. Ze worden faalangstig, gaan onderpresteren, of worden 'aandachtsjunkies'. Dit principe kan doorwerken tot op hoge leeftijd. Je kent vast wel een volwassene in je omgeving bij wie je dit patroon nu herkent.


Hoe bouw je dan zelfvertrouwen op?
Laat hoogebegaafde kinderen voldoening voelen. Voldoening van het stellen van een hoog doel, het harde werken en het behalen van dat doel. Daar krijgt een kind zelfvertrouwen van. Aan ons, leerkrachten, dus de taak om dit proces te begeleiden. Complimenten geef je daarbij spaarzaam, en specifiek, gericht op het proces. Niet: “Wat kun jij goed rekenen!”, maar: “Ik zie dat je keihard hebt gewerkt aan deze sommen! Eerst had je bijna alles fout. Na de uitleg en het oefenen, maak je ze nu vlot en foutloos.” De volgende keer zal hij dan nóg harder zijn best doen. Zeker weten.

17 jun. 2012

Hoogbegaafden zijn vaak beelddenkers

De hoogbegaafde Tom durft tijdens zwemles niet in het diepe bad. Hij staat maar te kijken en te kijken. “Ga nou toch, spring erin. Je kunt het wel!”, fluistert zijn juf in z’n oor. Maar Tom antwoordt: “Nee, ik heb het filmpje van het zwemmen nog niet in mijn hoofd.”


Huh?
De meeste ouders en leerkrachten zullen verbaasd opkijken van dit antwoord. Maar het antwoord past wel helemaal bij Tom. Hij is namelijk een beelddenker. Hij denkt in ruimtelijke beelden, ervaringen en gebeurtenissen. Niet specifiek in taal. En dus wil hij in zijn hoofd eerst het filmpje van de zwembewegingen helemaal ‘af' hebben, voordat hij in het water springt.

Beeldenken, wa’s da?
Iedereen wordt geboren als beelddenker. Een baby heeft een dominante rechter hersenhelft, die niet denkt in taal, maar in beelden en gebeurtenissen. Hij leert door zijn omgeving te ervaren, door te kijken, te voelen, te horen. In zijn eerste jaren leert het kind vervolgens taal. En rond het 3e of 4e jaar wordt het taaldenken (of: begripsdenken) het overheersende denkproces. Behalve voor beelddenkers. Voor hen blijft het primaire denkproces leidend.
Bij het woord boom denken zij niet aan de letters B-O-O-M, maar aan het beeld van een bruine (of witte!) stam met takken en bladeren. Ze ontwikkelen een sterke rechter hersenhelft, de linker hersenhelft blijft hierbij achter. Bij veel hoogbegaafde beelddenkende kinderen verloopt dit vaak iets anders, zij ontwikkelen vaak ook hun linker hersenhelft (behoorlijk) goed en kunnen daarmee hun beelddenken –voor een deel- ‘verbloemen’.

Wat heeft dit voor consequenties?
Waar taaldenkers dingen beredeneren, hun werk plannen en organiseren, werkt dat voor beelddenkers anders. Zij ervaren de wereld door deze te beleven (holistisch) en door zich dingen te verbeelden. Zij hebben weinig tijdsbesef en kijken niet naar details, maar juist naar het grote geheel. Zij zien daardoor verbanden die taaldenkers niet zien, en zijn daardoor vaak creatief, maar ook vaak chaotisch.

Beelddenkers zien letters en cijfers als losse plaatjes. En ze kunnen die ook nog eens van alle kanten, zeg maar 3D, bekijken. Letters als de d en de b blijven daarom lastig voor een beelddenker. Want als je de b van de achterkant ziet, is het een d. Als letters en zelfs woorden dan geen betekenis hebben (zoals de woorden niet, toch, als, en, etc) blijven ze moeilijk te lezen. Een stempel dyslexie ligt op de loer.



Bottum-up en top-down
Taaldenkers denken vanuit losse delen naar een geheel. Het onderwijs is daar grotendeels ook op ingericht: je leert eerst allerlei feitjes over een periode in de geschiedenis en krijgt daarna een samenvatting waarin het verband te zien is. Een beelddenker denkt andersom, ook wel top-down genoemd. Hij heeft eerst het gehele beeld nodig, om de losse beelden een goede plek te kunnen geven. Anders hangt hij ze op verkeerde plekken op en is hij de weg kwijt in de lesstof.

Er is een ander belangrijk aspect bij een beelddenkende leerling: het denken in het primaire denkproces, kan ook zorgen voor impulsief gedrag. Veel beelddenkers willen dat hun behoeften direct bevredigd worden. Ze willen dat koekje, en wel nu meteen! En op de plaats van het woord koekje, kun je vele andere woorden plaatsen, zoals aandacht, z'n zin, die bal, de winst, etc. Op deze pagina kan je daarover meer lezen.

Handicap of gave?
Wanneer een beelddenker niet in staat is om zijn zwakkere linker hersenhelft te compenseren, dan kan dit leerproblemen veroorzaken. Na het bovenstaande gelezen te hebben, kun je je voorstellen dat een dergelijke leerling trekken van ADHD, ADD, autisme, dyslexie, dyscalculie e.d. kán vertonen. Misschien is het bij zo’n vermoeden handig om eens te kijken of kenmerken van beelddenken bij dit kind passen. Ook hier is een goede lijst kenmerken te vinden.

 

Er bestaan allerlei manieren om van het beelddenken gebruik te maken, zodat leren geen probleem wordt. Er bestaan tips en trucs en trainingen om beelddenkers hun manier van leren te laten gebruiken.
Wanneer jij als leerkracht in staat bent om een beelddenkende leerling de onderwijsomgeving te geven waarin hij zich goed kan ontwikkelen, kan beelddenken een prachtige gave zijn. Het blijkt dan een fantasierijke, enthousiaste leerling die oplossingen buiten de kaders kan bedenken. Karaktereigenschappen die een mooie toekomst kunnen bieden!

Er is een aantal links dat de moeite waard is om te bekijken:

  •  In deze blog vind je veel links naar de site van www.ikleeranders.nl . De oprichter hiervan, Agnes Oosterveen, heeft een specifieke training ontwikkeld voor beelddenkers. Zij vertelt hierover in deze video.
  • Ben je sceptisch over het begrip beelddenken? Dan ben je niet de enige. Dit artikel is kritisch over beelddenken. Lees en vorm je eigen mening!
  • Een ander interessant artikel over beelddenken, hoogbegaafdheid en dyslexie.
  • Diepergaande achtergrond informatie over dit onderwerp lees je in een hoofdstuk uit het boek Alles stroomt… De kern van beelddenken, door Mechel Ensing-Wijn.
  • www.beeldenbrein.nl
  • www.ikleerinbeelden.nl
  • Er bestaat een Stichting Beelddenken.
  • Startpagina beelddenken voor talloze links en ervaringsverhalen
  • Twitter, wie te volgen over beeldenken? Kijk eens hier.
  • Tenslotte nog 2 boektips die ik als reactie op deze blog kreeg: Beelddenken in de praktijk en Beeld en Brein schoolbasis (beide van: Anneke Bezem en Marion van de Coolwijk)
En heb je een opmerking of aanvulling op deze blog? Ik lees het hieronder graag!

3 jun. 2012

Drukte over talentonderwijs

Sinds het actieplan van demissionair-minister van Bijsterveld is de aandacht voor talentonderwijs enorm toegenomen. De minister noemt het onderwijs voor excellente leerlingen. Met die term heb ik echt wel moeite. Het lijkt erop dat alleen leerlingen die excellent presteren hierbij zouden horen. Dit bedoelt zij echter niet, dus vandaar dat de term talentonderwijs wellicht beter op zijn plaats zou zijn.


Scherts over hoe ons onderwijs momenteel wordt vormgegeven: afgestemd op het gemiddelde kind.

De noodzaak voor beter aansluitend onderwijs voor deze leerlingen dringt op steeds meer plekken door. Er ontstaan momenteel veel initiatieven om getalenteerde kinderen betere onderwijsbegeleiding te geven. Zo wordt er eindelijk in onze hoofdstad fulltime onderwijs geregeld voor deze groep. Ik wil graag een paar andere interessante initiatieven met je delen.

Mannetje op de radio
Afgelopen week was Tijl Koenderink van Novilo op de radio te horen in het programma Casa Luna. Hij gaf een heel interessant interview over hoogbegaafdheid, de aanpak van leerkrachten, hoe het anders kan en vertelt over zijn eigen leven met hoogbegaafdheid. Ik ken hem al een tijdje van zijn video’s waarin hij al liet zien dat hij heel duidelijk kan uitleggen wat de struikelblokken voor hoogbegaafde leerlingen zijn en hoe je daar mee kunt omgaan. In dit interview geeft hij ook op heel heldere wijze antwoord op de vragen die hem gesteld worden. Een aanrader om eens goed te beluisteren!

Nieuw boek voor de onderwijspraktijk
Novilo geeft binnenkort ook een boek uit: De 7 uitdagingen. Via deze link kun je alvast de eerste 4 hoofdstukken toegestuurd krijgen. Ik vond deze hoofdstukken heel helder, vol met voorbeelden en zeer praktijkgericht. Wanneer je met onderwijs voor deze doelgroep aan de slag wilt, kun je aan de hand van de genoemde 7 uitdagingen een eind de goede richting inslaan. Het volledige boek, dat ik besteld heb, is nog in bezit van de postbode, dus daar kan ik je nog niet verder over vertellen, helaas. Maar de eerste hoofdstukken zijn zeer uitnodigend!

TOPplan
Een ander mooi initiatief is bedacht door de denktank achter TOPPLAN. Zij hebben een organisatieplan ontworpen voor het vormgeven van compleet passend onderwijs aan begaafden (dus zowel meer- en hoogbegaafden). Zij stellen dit aan schoolbesturen belangeloos (!) ter beschikking. Het TOPPLAN is gericht op organisaties vanaf 3500 leerlingen, waarin gemiddeld 560 begaafde leerlingen (16% van totaal) meer uitdaging nodig hebben dan vaak tot nu toe wordt gegeven. Het is dus een plan voor het bestuur, gratis en voor niets! Leg dit maar eens op het bureau van je directeur!

Andere interessante hb-dingetjes
  • Ken je de blogs van DiLima al? Een verfrissende kijk op hoogbegaafdheidsthema’s.
  • Al eens gehoord van het Vooroordelenspel? Er is nu ook een juniorvariant. Iets voor jouw klas?

Weet jij nog een interessant item over dit onderwerp? Laat het hieronder dan weten!

13 mei 2012

Motivatie en prestatie, en hoe je mindset daaraan bijdraagt

Vraagje: Een slimme leerling uit je klas heeft helemaal niet geleerd voor zijn toets. Hij haalt een 9. Hoe reageer je?
Veel leerkrachten zullen de leerlingen prijzen voor zijn goede cijfer. Weinigen zullen zeggen: ‘Eigenlijk heb je dit niet verdiend’. Toch zal deze laatste reactie uiteindelijk meer bijdragen aan goede prestaties van de leerling dan de eerste. Wil je weten hoe dat kan? Lees dan verder over de eenvoudige, maar zeer boeiende Mindset-theorie.

Carol Dweck heeft meer dan 30 jaar onderzoek gedaan naar zelfbeeld en motivatie bij prestaties. Ze toonde overtuigend aan dat de manier waarop mensen –ook kinderen- reageren op een moeilijke taak, wordt bepaald door hun mindset. Dit is de manier waarop je denkt over - in dit geval- intelligentie. Ook ontdekte ze dat deze mindset wordt veroorzaakt door de manier waarop leerkrachten en ouders omgaan met kinderen. Dit heeft al invloed op heel jonge leeftijd.

Ze heeft deze theorie uitgelegd in het boek Mindset. Waarom zijn kinderen al dan niet succesvol in hun prestaties? En hoe kun je motivatieproblemen en faalangst buiten de deur houden? Het boek was voor mij persoonlijk een openbaring. Het heeft mijn opvatting over mijn eigen ontwikkeling totaal veranderd. En ook in de opvoeding van mijn kinderen ben ik veel anders gaan aanpakken.

In het kort
Er bestaan twee type mindsets: de vastliggende mindset (fixed mindset) en de groeimindset (growth mindset). Deze twee mindsets kijken op een verschillende manier tegen intelligentie en kwaliteiten aan. Ze hebben vervolgens elk een andere uitwerking op het leveren van prestaties.


1. Vastliggende mindset
Iemand met deze mindset beschouwt zijn intelligentie en kwaliteiten als een vaststaand feit. Een beetje het geval: ik ben een dubbeltje en word nooit een kwartje. Een slim kind met deze mindset, zal prestaties doen enkel en alleen om te bewijzen dat hij inderdaad zo slim is. Niet omdat hij graag wil leren. Hij zal daardoor moeilijke taken niet zo snel aanpakken, omdat die wel eens zouden kunnen mislukken. En dat zou bewijzen dat hij toch niet zo’n slimmerd is. Hij pakt dus liever een makkelijke taak die hij goed kan volbrengen. Sterker nog: het idee dat hij hard zou moeten werken voor een moeilijke taak, dat hij het niet in één keer zou kunnen, betekent al een mislukking voor hem. Hij vermijdt zo'n taak daarom. Dan kan hij niet door de mand vallen. Zie je het woord faalangst al boven zijn hoofd verschijnen?
Je ontwikkelt deze mindset door veel kritiek of complimenten te krijgen over je zijn: “Wat goed van je, je bent een slimmerd!” “Tom is echt de slimste van de klas.” Of over je prestaties, zoals “Heel goed gedaan!”, terwijl je er weinig moeite voor had gedaan. Hoogbegaafde kinderen hebben vaker een fixed mindset dan normaal intelligente kinderen. Zij krijgen vaker te horen dat ze slim zijn, of merken dat gewoon in hun dagelijkse doen. Het is een sluipmoordenaar voor hun prestaties, want de faalangst kan hun potentie behoorlijk lam leggen.

2. Op groei gerichte mindset
Iemand met de groeimindset denkt over intelligentie als iets wat je kunt ontwikkelen. Zijn idee: als je ergens moeite voor doet, dan kun je daar slimmer, wijzer, sneller van worden. Deze mensen hebben daardoor veel plezier in het aanpakken van moeilijke taken en geven aan te leren van hun fouten. Ze kunnen goed omgaan met kritiek en complimenten en leren daar van.
Een groeimindset ontwikkel je door kritiek of complimenten te krijgen over het proces: “Je hebt je lang kunnen concentreren bij deze taak. Hoe is je dat gelukt?” Of over de geleverde inzet: “Wat heb jij hard gewerkt! Je mag trots zijn op je inzet.” Ook is het belangrijk dat je telkens gewezen wordt op het feit dat je intelligentie niet belangrijk is, maar op je inzet en het plezier om iets nieuws te leren.

Anders doen dus!
Leerkrachten willen onzekere kinderen graag veel positieve feedback geven. Dat lijkt ze meer zelfvertrouwen te geven. Maar zinnen als "Je kan het! Wat ben jij toch slim!" zullen volgens Dweck dus niet het gewenste resultaat bereiken. Sterker nog, ze zijn schadelijk voor het zelfvertrouwen en verminderen de kans op succes bij het kind. Gelukkig zou je met een andere soort feedback de kinderen wel kunnen ontwikkelen tot succesvolle doorzetters.

Tips voor een groeimindset
  1. Geef telkens aan hoe belangrijk inspanning is om iets te bereiken. Dit doe je door het leerproces te bespreken, niet het resultaat. Laat een leerling zien hoe hij vooruit gaat door zijn inspanning. Maak dit eventueel visueel. “Eerst las je deze tekst in 3 minuten. Je hebt hem nu drie keer geoefend. Je leest de tekst nu in 2 minuten. Heeft het oefenen geholpen, denk je?”
  2. Daag een leerling met een vastliggende mindset uit om risico’s te nemen. Zeg daarbij dat het resultaat of netheid van het werk niet belangrijk is, maar dat het gaat om het durven aangaan van de moeilijke taak. Prijs hem ook alleen om die inzet.
  3. Leer je leerlingen om zichzelf te evalueren. Als een kind een goede inspanning heeft gedaan, laat het kind dan ervaren wat het resultaat is. Een positieve ervaring kan vervolgens gebruikt worden om in de toekomst aan te refereren. “Weet je nog dat je veel geoefend had met lezen? Je ging toen flink vooruit. Door te oefenen kun je jezelf met rekenen ook verbeteren.”
  4. Geef weinig beloningen. Geef alleen een beloning bij gedrag of inzet dat je nog niet eerder beloond hebt. Ditzelfde geldt voor complimenten. Belangrijker is dat je je leerling intrinsieke beloning van een taak leert zien. Dus niet: “Ik ben trots op je”, maar: “Je mag trots op jezelf zijn!”
  5. Zet in op het aanleren van vaardigheden. Leg hier de nadruk op en geef minder aandacht aan de prestaties. Dit klinkt eng, maar de prestaties zullen vanzelf meegroeien met de inzet van je leerling!
  6. Geef voorbeelden van bekende mensen die topprestaties leveren. Lionel Messi was niet van de ene op de andere dag een topvoetballer. Hij heeft jarenlang keihard getraind om de beste voetballer te worden. Thomas Edison heeft niet in zijn eentje in een donkere nacht de gloeilamp uitgevonden. Hij deed daar tientallen jaren over, samen met zijn team van 25 personen. Zo krijgen je leerlingen een realistisch beeld van prestaties: als je ergens hard voor werkt, kun je dat bereiken. En dan heb je daar nog plezier in ook!
  7. Neem je eigen mindset onder de loep. Dweck: "Goede leraren geloven in ontwikkeling van intelligentie en talent en ze zijn gefascineerd door het leerproces." Geloof jij als leerkracht dat je niet meer hoeft te leren? Of leer je elke dag van je leerlingen en gebruik je je werk om jezelf te ontwikkelen?
Meer weten?
Er valt nog vreselijk veel meer te vertellen over deze mindset. Als je er nog meer over wilt weten, dan kun je op onderstaande links meer informatie vinden. Of het goed leesbare boek van Dweck verslinden. Ook geef ik aan leerkrachten en ouders de workshop Mindset, waarin je in 1 of 2 uur ondergedompeld wordt in de Mindset-theorie. En dat is niet alleen interessant voor je leerlingen, je leert ook nog eens veel over je mindset in je relatie, je werkomgeving (je baas!) en vooral: over jezelf!

Wat zou jij doen?
Denk nu nog eens aan de leerling uit de eerste alinea. Je snapt vast dat de eerste reactie niet bijdraagt aan succesvolle prestaties. De tweede reactie is uiteraard ook niet vriendelijk, maar kan wel vriendelijk verwoord worden. Ik zou pleiten voor een reactie als “Wat jammer voor je. Je hebt wel een negen, maar je hebt niets nieuws opgestoken!” Wat zou jij nu zeggen?

Overige links