27 nov. 2012

Ander onderwijs, hoe dan?


In mijn vorige blog (tip:lees dat eerst voordat je aan dit blog begint) schreef ik over hoe hoogbegaafde leerlingen verschillen van normaal begaafde leerlingen. En hoe ze daardoor behoefte hebben aan een andere benadering in het onderwijs. Een logische vraag is vervolgens: HOE realiseer ik dan ANDER onderwijs voor deze leerlingen? Daarop wil ik je vandaag een handreiking geven. Ik kan het niet tot in de puntjes aan je voorleggen, omdat elke hoogbegaafde leerling anders in elkaar steekt. En daar moet je rekening mee houden.

Hieronder beschrijf ik natuurlijk de ideale situatie. Kijk wat voor jou en je school haalbaar is. Wees daarin eerlijk; naar jezelf, naar je collega’s, naar de ouders én naar het kind. Niemand heeft iets aan een prachtig opgezet plan, zonder de capaciteiten om het uit te voeren.

Compacten en verrijken
Om ander onderwijs te bieden, zal je eerst ‘ruimte’ moeten maken. Omdat hoogbegaafde kinderen behoefte hebben aan minder herhaling, kun je de reguliere lesstof compacten. Dit betekent dat je veel herhaling weglaat, zodat er tijd ontstaat voor andere lesstof. Veel leerkrachten vinden het moeilijk om deze herhaling los te laten, omdat ze bang zijn dat de leerling hiaten oploopt. Jij ook? Bedenk dan dat de lesstof van een dag van een reguliere schoolklas op bijv. Leonardoscholen in anderhalf uur wordt doorlopen! De rest van de dag wordt gebruikt voor verrijking (andere lesstof die uitdagend is) van het lesprogramma. Dus er is vast ruimte voor je leerling om wat lesstof los te laten. Voor compacten is dus een beetje lef nodig. Uiteraard is het wel belangrijk dat de leerling het automatiseren voldoende ontwikkelt.
Een manier om vinger aan de pols te houden wat betreft de lesstof en het automatiseren is om vooruit te toetsen. Laat de leerling de tussentoetsen van de methode voorafgaand aan het blok maken. Herleid hieruit vervolgens welke lesstof de leerling nog nodig heeft en welke je kunt laten vervallen.

Doortoetsen
Om te weten welk niveau de leerling aan kan, zal hij per vak moeten worden doorgetoetst. Dit kan met bijv. de gebruikelijke LVS-toetsen. Neem de toetsen af totdat de leerling net onder het gemiddelde (bijv Cito-score IV) scoort. Dus niet voldoende of hoger, want dat is al zijn beheersingsniveau. Je wilt weten waar hij iets nieuws kan leren, dus toets je door tot hij de stof niet meer beheerst. Vaak kom je bij een hoogbegaafde leerling daarmee in hogere leerjaren uit. Beslis dan samen met IB-er, ouders en eventueel kind of je het kind op dat hogere niveau wilt laten verder werken (je gaat dan versnellen, met als gevolg dat hij bijv. in groep 6 ‘klaar’ is met de rekenstof van de basisschool) of dat je verdiepend werk gaat aanbieden zodat het kind niet verder z’n jaarklas vooruit werkt. Dit laatste klinkt misschien vreemd, maar met de juiste materialen en begeleiding kun je vaak een hoogbegaafde leerling nog veel laten leren binnen zijn jaarklasniveau.

En dan… 
... komt het echte werk: de leerstof wordt aangepast. Maar hoe? Uit recent onderzoek is gebleken dat hoogbegaafde kinderen het beste leren in een begeleid onderzoekende leersituatie. Dit betekent dat zij graag zelf een vraagstuk onderzoeken en daarin begeleid moeten worden door een leerkracht. Ook leren zij vaak liever op een abstract niveau dan concreet. Verder gedijen zij goed bij nieuwigheden, bij intensiteit en genieten vaak van (enige) complexiteit.
Er zijn veel materialen op de markt die hierbij aansluiten. Ook projecttaken, webquest’s, filosofie-lessen etc. komen hiervoor in aanmerking. Belangrijk voor de hoogbegaafde leerling is dat hij hierbij voldoende ondersteuning en feedback krijgt. Begeleiding moet een regelmatig en vaststaand onderdeel zijn van zijn programma. Een mooie plek om dit type onderwijs te geven is een plusklas. Wanneer een leerling voor het eerst begint met verrijkende taken, kies dan voor een onderwerp dat hem erg interesseert maar waar hij nog niet veel van af weet. Zo is hij meer gemotiveerd én is het leerrendement een succeservaring voor de komende taken.

Tips: 
Uiteraard valt er nog enorm veel te vertellen over goed onderwijs voor hoogbegaafden. Heb je nog ideeën, suggesties of vragen? Laat het hieronder weten! Ik vind het heel waardevol als je een reactie geeft.

20 nov. 2012

ZO ANDERS

Een moeder op het schoolplein:
Wat is er toch zo anders aan een hoogbegaafd kind? Waarom heeft deze, volgens hun ouders en al die specialisten, zo veel meer hulp nodig dan een normaal begaafd kind? Is dat geen onzin? Kan iemand me dat eens uitleggen?

Nou, dat wil ik wel!
Al eerder schreef ik een blog over hoe moeilijk het kan zijn om een hoogbegaafd kind te begrijpen. Daarin ging ik in op het verschil in beleving van de wereld door het verschil in intelligentie. Vandaag wil ik nog een stapje verder gaan in die uitleg. Daarvoor eerst een korte uitleg van een wiskundige theorie:

De Catastrophe Theory
Wiskundige René Thom ontwikkelde in 1968 de Catastrophe Theory. Hij wilde daarmee bijvoorbeeld verklaren hoe sommige stoffen plotseling kunnen veranderen van samenstelling of vorm tot iets compleet anders. Het simpelste voorbeeld is water. Wanneer water heter en heter en heter wordt, zal dit, afhankelijk van de temperatuur, de hoeveelheid, de druk en de chemische toevoegingen, veranderen in een totaal andere vorm: stoom. Er komt dus een punt waarop meer en meer en meer leidt tot ANDERS. Dit is de Catastrophy Theory. Het geldt natuurlijk ook voor water dat kouder en kouder en kouder wordt. Ook hier leidt meer kou tot iets heel anders: ijs.

Anders door begaafdheid
Dit principe kun je ook toepassen op hoogbegaafdheid. Wanneer een persoon beschikt over meer intelligentie, meer autonomie, meer gevoeligheid, meer motivatie, en ga zo maar door, ontstaat er een persoon die niet alleen maar méér slim is dan anderen, maar juist iemand die ANDERS is. Het is een persoon die niet behoefte heeft aan méér van dezelfde lesstof, maar aan ANDERE lesstof. En een andere uitleg en benadering van lesstof. En hier gaat het vaak fout in ons reguliere onderwijs. De lesstof wordt wel wat aangepast, en de leerling mag soms zelfs een dagdeel naar een plusklas. Maar is dat voldoende 'anders' voor de leerling? De inhoud van de lesstof, de materialen waarmee gewerkt wordt én de manier van aanbieden moeten dus niet leiden tot méér werk maar tot ANDER werk.

Gaat het niet lekker met die hoogbegaafde leerling in je klas? Vraag jezelf dan af of de lesstof ANDERS genoeg is voor deze anders denkende leerling. En als je er niet alleen uitkomt, vraag dan hulp aan je ib-er, aan de ouders én aan het kind zelf!

Dus, beste moeder op het schoolplein: een hoogbegaafde leerling heeft dus niet méér begeleiding nodig dan andere kinderen, maar hij heeft ándere begeleiding nodig. En dat is helemaal geen onzin.

18 nov. 2012

Het gemiddelde kind

Onderpresteren. Elke leerkracht heeft er over geleerd of gelezen. Maar zou er bij jou in de klas ook een onderpresteerder zitten? Hoe kom je daar nou achter? Onderpresteren is niet alleen ‘weggelegd’ voor hoogbegaafde leerlingen. Ook normaal- en meerbegaafde kinderen presteren soms minder dan ze zouden moeten kunnen. Hierdoor wordt veel talent onbenut. Dr. Sylvia Rimm noemt onderpresteren "een nationale epidemie". En inderdaad, als al deze leerlingen beter zouden kunnen presteren, zou dat enorm veel potentieel tot wasdom laten komen.


Wat is het nou precies?
Onderpresteren betekent dat een leerling minder presteert dan dat je op basis van zijn aanleg/kwaliteiten zou kunnen verwachten. Je kunt daarbij denken aan kinderen die de ene na de andere onvoldoende scoren (absoluut onderpresteren) of aan leerlingen die zevens halen, terwijl een tien voor hen ook haalbaar zou zijn (relatief onderpresteren). Deze laatste groep komt het meest voor. Het is ontzettend lastig om deze leerlingen in je klas te herkennen. De onderpresteerder past zich aan het niveau van je groep aan, om niet op te vallen. Kijk daar dan maar eens doorheen! 

Leerhonger
Tessa Kieboom beschrijft in haar boek Jij kan beter! hoe onderpresteren ontstaat. Ze vergelijkt ‘leerhonger’ met de dagelijkse behoefte om te eten. Stel dat je elke dag zo'n 5 boterhammen nodig hebt om je trek te stillen. Maar je krijgt er elke dag maar 3. Je zal elke dag voeding tekort komen, maar je lijf zal zich aanpassen naar het dieet dat je krijgt voorgeschoteld. Je honger zal verdwijnen, maar toch krijg je continu te weinig voeding binnen. En ergens blijft er misschien een ontevreden gevoel. Dit is eigenlijk wat er ook gebeurt met veel hoogbegaafde leerlingen. In het basisonderwijs beheersen hoogbegaafde kinderen al 35-50% van de lesstof vóórdat deze behandeld is. Wanneer er dan geen passend alternatief wordt geboden, kan het kind zich gaan aanpassen aan het niveau van de klas. Het gaat dan onderpresteren. 

Wanneer leerlingen te weinig worden uitgedaagd, verliezen zij het gevoel van controle over hun schoolprestaties. Ze verliezen vaak zelfvertrouwen, ontwikkelen een laag zelfbeeld. Dit heeft te maken met hun fixed mindset. Hierover schreef ik eerder al een blog. Ze leveren liever een prestatie waarmee ze risicoloos meedeinen in de klas, dan dat ze een risico nemen. 



Basisvaardigheden blijven achter
Door deze houding ontwikkelen ze allerlei persoonlijke basisvaardigheden veel minder dan goed presterende leerlingen. Zoals het doorzettingsvermogen. Deze leerlingen schudden een zesje uit hun mouw en leren niet hoe ze zich moeten inspannen als de lesstof even moeilijk wordt. Ze gaan daardoor inspanningen vermijden. Ook leggen ze hun lat lager: wanneer ze hun verwachtingen verlagen, dan is het risico om te falen ook kleiner. Ook ontwikkelen zij hierdoor niet de belangrijke leerstrategieën.

Hetzelfde geldt voor vaardigheden op het gebied van zelfdiscipline, zelfsturing, verantwoordelijkheid, etc. Verder stellen ze zich in hun leren vaak erg afhankelijk op van anderen. Ook hebben deze leerlingen vaak een gebrek aan zelfkennis en inzicht in wat hen werkelijk motiveert. En het gebrek in deze vaardigheden zal ze niet alleen op school tegenwerken, maar juist ook later, in studie en werk, komen ze hun beperkingen keihard tegen.
Genoeg redenen om er iets aan te doen. Maar hoe? Om onderpresteren te verminderen, moet je het eerst signaleren om het vervolgens te kunnen aanpakken.

Signaleren
Uiteraard is onderpresteren het beste te voorkómen. Het zou daarom goed zijn om hier specifiek aandacht aan te geven bij de intake op school. Gebruik de kennis en mening van de ouders. Hoe zien zij de ontwikkeling van hun kind? Wat valt het op? Was er al sprake van onderpresteren op het kinderdagverblijf (gebeurt regelmatig!)? Wees er bewust van dat een kind zich binnen 6 weken volledig kan aanpassen aan een klas!

Er bestaan ook speciale signaleringslijsten waarin (kans op) onderpresteren wordt meegenomen. Zie je kenmerken uit de vorige alinea’s bij een leerling? Trek dan ook aan de bel. Neem verder in overweging:
  • Meisjes vertonen vaker aanpassingsgedrag dan jongens, omdat zij het vaker belangrijk vinden om bij een groep te horen. Dit speelt vooral in het VO een belangrijke rol in onderpresteren. Dit betekent niet dat jongens niet kunnen onderpresteren! 
  • Heeft een kind heel wisselende resultaten? Zoals lage cijfers voor het schoolse werk, maar hoge voor bijv. projecten of werkstukken? Misschien is het een onderpresteerder.
  • Verdenk je een leerling van ADHD? Overweeg of de opgewondenheid, de hoge creativiteit, onoplettendheid, het snelle tempo en/of impulsief gedrag niet voortkomt uit verveling en onderpresteren. Hoogbegaafde leerlingen krijgen nog vaak onterechte labels als ADHD of PDD-NOS opgeplakt. 
  • Leerlingen uit lagere sociale milieus met een goed stel hersens krijgen vanuit huis vaak minder stimulering mee. Door de lage verwachting van hun ouders kunnen zij geneigd zijn om te gaan onderpresteren. En daardoor ontdekken leraren vaak de eigenlijke capaciteiten van zo'n leerling niet.
Onderpresteren aanpakken
Dit is moeilijk en complex. Wanneer je onderpresteren vermoedt, zoek dan steun bij je ib-er. Samen met de ouders zal een plan moeten worden opgesteld. Daarin zijn de volgende stappen essentieel:
  1. Zorg dat je uitgebreid overzicht krijgt van de vaardigheden, talenten en soort van onderpresteren van het kind. Hierbij is een IQ-test, didactische toetsen, een uitgebreide beschrijving van talenten, karakter en interesses noodzakelijk. Vergeet hierbij de mening van de ouders niet!
  2. Communiceer regelmatig en planmatig met de ouders. Bespreek de vooruit/achteruitgang op een open manier. Kijk hoe je elkaar kunt versterken. 
  3. Pas je verwachtingen van het kind aan. Soms kun je moeilijk geloven dat dít kind meer kan dan hij laat zien. Toch is het belangrijk dat je hoge verwachtingen hebt. Pas dán kan bij het kind de basis worden gelegd tot eigen hoge verwachtingen. De hele omgeving zal deze verwachtingen moeten aanpassen.
  4. Geef de leerling een rolmodel om zich mee te identificeren. Onderzoek toont aan dat de beste omgeving voor bijv. een onderpresterende jongen is een sterke, competente vader. Dit is niet altijd te realiseren. Zoek daarom een rolmodel dat bij deze leerling past. 
  5. Start met een plan om de basisvaardigheden te verbeteren. De uitvoering hiervan vraagt om enig fingerspitzengefühl. Hiermee bedoel ik dat je moet proberen aan te voelen hoeveel je van de leerling kunt vragen (bijv. in onafhankelijkheid) op dat moment. 
  6. Maak de aanpassingen zowel op school als thuis. Gesprekken tussen ouders en de leerkracht zullen laten zien dat de leerling op soms manipulatieve manieren probeert zijn onderpresteren gedrag voort te zetten. Uitspraken als “Mijn moeder heeft mijn huiswerk kwijtgemaakt.” Of  “De juf helpt me helemaal niet als ik het niet snap.” zullen zeker voorbij komen.
Tot slot: Uit onderzoek blijkt dat de belangrijkste oorzaak van onderpresteren is het ontbreken van een intellectueel klimaat op een school. Dus: hoe staat jouw school er dan voor?
 
Leestips:
Heb je nog aanvullingen? Heb je een vraag? Laat het hieronder weten. Ik vind het erg leuk om reacties te lezen!